Liefde in tijden van eeuwigheid

En of ik ooit woorden zal vinden; voor jou, voor ons, voor wie we waren en wie we zijn, nu en toen, leven na leven na leven, doorheen de eeuwigheid?

Ik weet het niet.

Maar ik ga het proberen.

Mijn liefste Johan, ik ga het proberen.

“Jij was, bent en zal steeds mijn medestrijder van het licht zijn.”

Het was met die woorden dat ik jaren geleden je onverdeelde aandacht kreeg, op de receptie na één van je lezingen over familie-en organisatieopstellingen.

Ik had je meteen herkend toen je het podium opliep en iedereen welkom heette.

Tientallen geïnteresseerden luisterden ademloos toen je sprak, over waarheid en werkelijkheid, over wetenschap en spiritualiteit, over bewustzijn en liefde, over het Universum en de wetten van het Al.

Tientallen geïnteresseerden verzamelden zich na afloop om jou heen ; je lachtte, schudde handen, gaf schouderklopjes en glunderde van geluk:).

We werden aan elkaar voorgesteld terwijl ik vurig hoopte dat jij me ook zou herkennen, maar niets was minder waar. Ik kreeg een hand, een glimlach en een schouderklopje;).

In de uren die volgden, vroeg ik me af hoe ik je interesse kon wekken, wat ik kon doen of zeggen om je ziel te beroeren.

En hoe ging ik dicht bij je geraken, je werd steeds omringd door medewerkers, journalisten en fans;).

Peinzend liep ik de trappen af van het kasteel, keek op naar de sterren en vroeg het Universum om een moment alleen met jou.

Het was bestemd; we ontmoetten elkaar enkele ogenblikken later in de gang. Alleen.

Ik liep naar je toe, glimlachte en sprak de gevleugelde woorden; “Jij was, bent en zal steeds mijn medestrijder van het licht zijn. We moeten iets doen samen, maar ik weet niet wat.”

Jij glimlachte terug, gaf me voor de tweede keer die avond een hand en zei ;
“ ik ken je, ja. En ik wil weten wat we gaan doen.”

Het was het begin van onze vriendschap in dit leven.

In de jaren die volgden deden we veel dingen samen; we lunchten, we dronken wijn, we wandelden, we filosofeerden, we werkten samen.

Regelmatig vroeg je me of “dit” dan was waarom we elkaar ontmoet hadden.
En dan schudde ik glimlachend van niet.

Het was pas in november 2013, tijdens een lunch in Leuven, dat duidelijk werd wat wij samen “ te doen” hadden.

Vol enthousiasme vertelde ik je die middag over mijn droom en met welke gedachte ik was opgestaan; ik moest een lange, verre reis maken.
Ik moest naar India.

Je glimlachte en glunderde en vroeg me wanneer ik van plan was dat te doen.

Zonder nadenken zei ik “ januari, februari”.

Je glimlach veranderde in de lach van een breedsmoelkikker en je straalde harder dan de mooiste glimworm:).

“Ik ben net begonnen mijn laatste verre reis uit te stippelen, naar India in januari/februari.”
We keken elkaar aan en glimlachten ; “dit” was waarom we elkaar hadden ontmoet.

Drie maanden later reisden we naar Kerala, Zuid-India, naar de ashram van Sri Mata Amritanandemayi, beter gekend als Amma.

Het werd de mooiste reis van mijn leven.
De reis waarop ik mijn hart heelde.
De reis waarop ik me voor het allereerst in mijn leven een echte prinses voelde, niet in het minst omdat jij me glimlachend zo noemde en steeds mijn te lange zijden roze jurk een beetje optilde als we over het strand wandelden.
De reis waarop je me bergen deed beklimmen, letterlijk:).
De reis waarop ik ten diepste me-zelf vond.

Voor jou zou het je laatste verre reis worden.
Dat zei je nogmaals toen we vertrokken.
Ik lachte en zei je dat er nog veel verre reizen zouden volgen.
Je was 70 en bruiste van levensenergie.
Je had plannen om in de academische wereld wat meer spiritualiteit te introduceren.
Je wilde je kleinkinderen verder zien opgroeien.
Je wilde mantra’s zingen in je serre, om te onderzoeken of je tomaten dan beter zouden smaken:).

We reisden. We lachten. We praatten. We wandelden. We klommen. We zwommen. We werkten. We deelden.
We deden wat we altijd hadden gedaan, leven na leven na leven, doorheen de eeuwigheid.
Het was bestemd en gezegend, onze reis. En we wensten dat er nog vele mochten volgen.

Maar je kreeg gelijk.
Het werd je laatste verre reis.

Kort na onze terugkeer uit India werd je ziek.
Je streed zo lang en zo hard je kon.

We zaten in de namiddagzon en hielden elkaar stevig vast.
Je zong je mantra uit India en ik zong mee; “ OHM rheem kreem NAMAH”.
Je glimlachte en ik glimlachte terug.
“ Nu wil ik sterven. ” zei je. “ Nu kan ik sterven”.
Ik gaf je een kus en zei ; “ tot gauw”.

Twee weken later ging je heen.

Een knip in de eeuwigheid.
Dat was het.
Niet meer en niet minder.

Je bent er nog steeds.
Ik ook.
Wij ook.

En dan sluit ik mijn ogen en hoor ik je stem. Dan zie ik je glimlach.

Dan herinner ik me wie waren, altijd geweest zijn en ook altijd zullen zijn.

Maar God, wat mis ik die vrijdagmiddagen.

Liefs,
Gwen
Xoxo

Reacties

Leave a Comment

Start typing and press Enter to search